Herbert Nouwens genoot een klassieke beeldhouwopleiding aan de kunstacademie in Maastricht, gevolgd door een opleiding aan de Jan van Eijkacademie in dezelfde stad. Hij sloot zijn studie af met het winnen van de Charlotte Hustingxprijs, een prijs voor veelbelovend talent. Al tijdens zijn academietijd raakte hij in de ban van staal: lassen, snijden, knippen, smeden. Het stugge, schijnbaar onbuigzame, harde materiaal vormt zich met lasvlam en snijbrander in de hand tot kwetsbare en emotioneel lijfelijk te ervaren beelden. Nouwens werkt bij voorkeur met materiaal dat al een leven achter zich heeft en gebutst, gedeukt, geplooid, gepatineerd is door de tijd en het gebruik. Het materiaal is plooibaar, je kunt er grote en fragiele constructies mee bouwen en het heeft een levende huid die in de loop der tijd van kleur en structuur verandert. Nouwens buit die kwaliteit van het materiaal uit. Daarom schildert hij nooit zijn beelden, hij zet ze soms in de olie of bewerkt ze met een krijthoudende doorzichtige laag, waardoor de textuur van het materiaal zichtbaar blijft. Een belangrijk terugkerend thema in zijn werk zijn de campaniles, beelden als kloeke torens, variërend van 15 cm hoogte tot meer dan 18 meter. De ene keer gesloten, compact, massief, de andere keer alleen de suggestie van een toren, een tekening in de ruimte. Deze torenconstructies worden afgewisseld met series beelden van een meer organische vorm. Het materiaal waarmee de beelden worden opgebouwd is in de loop der jaren steeds robuuster geworden. Vaak snijdt Nouwens eerst dikke platen staal in onregelmatige strips, waarmee hij vervolgens zijn beelden assembleert.